In groep 6 gebeurt er iets opvallends: leerlingen die in groep 4 en 5 moeiteloos vragen over teksten konden beantwoorden, lopen in groep 6 ineens vast. Ze lezen wel, maar begrijpen minder. Ze haken af, zeggen dat de tekst “te lang” is of antwoorden te letterlijk op vragen die eigenlijk om dieper denken vragen.
Voor leerkrachten kan dit puzzelend zijn. Hoe kan een leerling die vlot leest, toch vastlopen bij begrijpend lezen?
Het antwoord ligt in de denkstappen die kinderen in groep 6 bij begrijpend lezen moeten maken. Dit is namelijk het jaar waarin begrijpend lezen verandert van informatie vinden naar informatie verwerken, verbinden en interpreteren. In dit artikel lees je welke denkstappen kinderen lastig vinden, waar misverstanden ontstaan, en vooral: hoe je hen helpt om beter grip te krijgen op teksten.
Waar kinderen in eerdere groepen vooral vragen kregen op letterlijke basis (wie, wat, waar), vraagt groep 6 van hen om:
verbanden te leggen
zinnen te ontleden
signaalwoorden te herkennen
de bedoeling van de schrijver te doorzien
emoties en motieven af te leiden
informatie uit verschillende alinea’s te combineren
Deze vaardigheden zijn cognitief zwaarder. Veel kinderen hebben deze denkwijze nog niet geautomatiseerd. Daarom lopen ze vast, niet omdat ze “slecht lezen”, maar omdat ze niet weten hoe ze moeten denken tijdens het lezen.
Hieronder vind je de meest voorkomende problemen die bij begrijpend lezen zichtbaar worden, inclusief voorbeelden uit de praktijk.
Een leerling leest alleen de woorden die er staan en denkt niet verder.
Voorbeeld:
Tekst:
“Lotte staarde naar haar lege broodtrommel en keek nerveus naar de klok.”
Vraag:
Waarom kijkt Lotte naar de klok?
Letterlijk antwoord:
“Omdat ze wil weten hoe laat het is.”
Maar eigenlijk vraagt de tekst om redenering:
Lotte heeft geen eten meer, misschien is het bijna pauze en maakt ze zich zorgen.
Dit is een typisch gemiste inferentie.
Veel kinderen in groep 6 lezen lineair: als ze iets vergeten of niet begrijpen, bladeren ze niet terug.
Voorbeeld:
In alinea 2 wordt gezegd dat “hij het geheim al dagen met zich meedroeg”.
In alinea 4 wordt gevraagd waarom het personage zich ongemakkelijk voelt.
Veel leerlingen antwoorden:
“Weet ik niet, dat staat er niet.”
Ze missen dat het in een eerdere alinea stond. Dit is geen leesprobleem, maar een strategieprobleem.
Groep 6-teksten bevatten bijzinnen, voorbeelden en extra details. Sommige kinderen zien deze details als even belangrijk als de kern.
Voorbeeld:
Tekst:
“In de verte zag hij de vuurtoren staan. De lucht was grauw en de golven sloegen hard tegen de rotsen.”
Vraag:
Wat ziet het personage?
Veel leerlingen antwoorden:
“De grauwe lucht en harde golven.”
Ze missen dat de kern is: de vuurtoren.
Signaalwoorden als “hoewel”, “daardoor” of “in tegenstelling tot” sturen de betekenis van een zin. Kinderen die deze woorden niet begrijpen, raken de lijn kwijt.
Voorbeeld:
“Hoewel hij zijn best had gedaan, was de uitslag teleurstellend.”
Veel leerlingen lezen dit als:
“Hij heeft zijn best gedaan en de uitslag was goed.”
Ze missen dat “hoewel” een tegenstelling aangeeft.
Veel kinderen denken dat een tekst alleen maar feiten bevat, en zien niet dat schrijvers informatie soms bewust weglaten of benadrukken.
Voorbeeld:
“Sofie glimlachte, maar haar ogen bleven strak gericht op de grond.”
De schrijver laat hier twee tegenstrijdige signalen zien, bedoeld om een gevoel of spanning op te bouwen. Kinderen die dit niet herkennen, missen de emotionele onderlaag.
Deze problemen laten zien dat leerlingen in groep 6 nog bezig zijn met het ontwikkelen van belangrijke cognitieve vaardigheden:
1. Informatie combineren
2. Inzicht in oorzaak-gevolg
3. Metacognitie (denken over denken)
4. Herkennen van tekststructuur
5. Redeneren in plaats van reproduceren
De stap van letterlijk naar dieper lezen is eigenlijk een stap van kijkend lezen naar denkend lezen.
Gebruik hardop-denken in de klas.
Voorbeeld:
“Hier staat dat ze haar jas pakt, maar ook dat ze haar lip trilt. Dat past niet bij blij. Dus misschien is ze zenuwachtig. Ik ga zoeken welke aanwijzingen dat ondersteunen.”
Kinderen leren dat lezen geen automatische handeling is, maar een reeks bewuste keuzes.
Laat kinderen kernzinnen, bijzinnen en signaalwoorden markeren.
Groen: hoofdzin
Geel: bijzin
Blauw: signaalwoord
Het visuele onderscheid helpt enorm om structuur te begrijpen.
Laat leerlingen voorspellen op basis van titel, illustraties en tussenkopjes.
Dan hebben ze een mentale kapstok om nieuwe informatie aan op te hangen.
Niet: “Omdat ik dat denk.”
Maar:
Waar in de tekst lees je dat?
Welk woord helpt je dat te begrijpen?
Wat weet je al dat hierbij helpt?
Zo oefen je metacognitieve controle en vermijd je “gokantwoorden”.
Voorbeeld:
Tekst:
“De deur stond op een kier en er lag aarde op de vloer.”
Vraag:
Wat is er waarschijnlijk gebeurd?
Leerling leert: aanwijzing → achtergrondkennis → conclusie.
Lees een lange tekst in korte stukken. Stop na elke alinea:
Wat is de kern?
Welke nieuwe informatie kreeg je?
Wat is nog onduidelijk?
Hoe past dit bij wat je eerder las?
Zo leren kinderen dat langere teksten behapbaar zijn.
Tekst:
“Toen hij de lege kooi zag, kneep hij zijn ogen dicht en riep om zijn vader.”
Vraag: Wat is er gebeurd?
Denkstappen die je zichtbaar maakt:
De kooi is leeg → iets of iemand is weg.
Hij knijpt zijn ogen dicht → schrik of paniek.
Hij roept zijn vader → hij heeft hulp nodig.
Conclusie: het huisdier is ontsnapt of verdwenen.
De leerling heeft geleerd om aanwijzingen te combineren tot een logisch geheel.
Dat kinderen in groep 6 vastlopen bij begrijpend lezen is niet vreemd. Het is geen teken van zwakte, maar een signaal dat ze bezig zijn met een belangrijke cognitieve sprong. Ze moeten niet alleen leren wat er staat, maar vooral hoe je daarover nadenkt.
Door denkstappen zichtbaar te maken, structuur te bieden en teksten te ontrafelen, help je leerlingen om niet alleen te lezen, maar te begrijpen, te interpreteren en te redeneren.
Wie leert om zijn leesproces te sturen, ontwikkelt een vaardigheid waar hij de rest van zijn schoolcarrière – en leven – van profiteert. Bereid je kind goed voor op de lvs-toetsen van Leerling in Beeld, IEP, Boom en Dia.