Hoe je leerlingen in groep 6 helpt om echt ‘mee te denken’ met de tekst
Bij begrijpend lezen denken veel leerlingen dat het vooral gaat om opletten, nauwkeurig lezen en zoeken naar antwoorden in de tekst. Maar goed lezen begint vaak al vóór de eerste zin gelezen is. Leerlingen die meer weten over een onderwerp, begrijpen een tekst niet alleen sneller, maar ook dieper. Ze herkennen verbanden sneller, snappen woorden beter en kunnen ontbrekende informatie zelf aanvullen.
Voor leerlingen in groep 6, een leeftijd waarop teksten complexer worden en steeds vaker verwijzen naar onderwerpen buiten hun directe leefwereld, is het activeren en opbouwen van voorkennis een cruciale stap. Toch wordt deze stap in de klas vaak overgeslagen of beperkt tot één vraag: “Wat weet je al?”
In dit artikel laten we zien hoe je voorkennis doelgericht inzet, waarom het zo’n groot verschil maakt en hoe je leerlingen helpt om actief mee te denken met wat ze lezen.
Onze hersenen lezen niet door elk woord afzonderlijk te interpreteren. Ze vullen voortdurend aan. Als leerlingen al iets weten over een onderwerp, hoeven ze minder moeite te doen om de tekst te begrijpen.
Voorbeeld:
Het woord “gletsjer” roept bij sommige leerlingen meteen een beeld op van ijsmassa’s, bergen, kou en smeltwater.
Leerlingen zonder die kennis lezen het woord, maar hebben geen mentale kapstok om het aan op te hangen.
Complexe teksten beschrijven oorzaken, gevolgen, vergelijkingen en tegenstellingen. Om die te begrijpen, moet de lezer het onderwerp kunnen plaatsen.
Voorbeeld:
Een tekst over plastic vervuiling is veel moeilijker te begrijpen als je niet weet wat er met plastic gebeurt in de natuur, wat microplastics zijn of waarom dieren plastic inslikken.
Inferenties (denkstappen die de lezer moet maken om de tekst logisch te verbinden) zijn alleen mogelijk als er achtergrondkennis is.
Voorbeeld:
Tekstfragment:
“Na de storm lagen de pannen overal op straat en haastten buurtbewoners zich om de gaten af te dekken.”
Een leerling zonder kennis van dakpannen, stormschade en lekkages begrijpt deze situatie veel minder goed.
Als leerlingen een onderwerp herkennen, worden ze nieuwsgieriger. Het lezen voelt minder alsof ze in het duister tasten en meer als iets waaraan ze kunnen deelnemen.
Samen over de tekst praten is een sterke methode om voorkennis te activeren. Vermijd vage vragen als “Wat weet je er al van?” Die trekken weinig los. Stel in plaats daarvan specifiekere vragen:
Waar heb jij dit onderwerp eerder gezien of gehoord?
Welke woorden passen volgens jou bij dit onderwerp?
Wat denk je dat belangrijk is om te weten voordat we gaan lezen?
Wat weet je over de situatie in de titel?
Op deze manier breng je leerlingen in de denkstand die bij het onderwerp past.
Veel kinderen weten iets, maar vaak nog niet genoeg om een tekst goed te begrijpen. Een klein kennisblokje van 1 tot 3 minuten kan een wereld van verschil maken.
Voorbeeld bij een tekst over vulkanen:
Vertel kort:
Een vulkaan is een opening in de aardkorst.
Lava is gesmolten steen.
Vulkanen ontstaan op plaatsen waar aardplaten verschuiven.
Slechts 90 seconden uitleg maakt de tekst opeens veel toegankelijker.
Afbeeldingen, schema’s of korte filmpjes (maximaal 1 minuut) helpen om een onderwerp te verankeren. Vooral bij abstracte of technische onderwerpen werkt visuele ondersteuning goed.
Voorbeeld:
Voor een tekst over ridders: laat een foto zien van een maliënkolder en vraag:
“Wat denk je dat het voordeel van dit materiaal was?”
Voorspellen dwingt leerlingen om hun voorkennis actief te koppelen aan de tekst. Laat hen nadenken over:
Wat ze denken dat er gaat gebeuren
Welke woorden waarschijnlijk terugkomen
Wat het doel van de tekst zou kunnen zijn
Zo ontstaat een mentale structuur waarop nieuwe informatie kan landen.
Voorkennis is niet altijd volledig of juist. Door leerlingen te laten ordenen ontstaat overzicht.
Werkvorm: Ken je dit?
Geef leerlingen een lijst woorden of begrippen uit de tekst. Ze sorteren deze in drie categorieën:
Dit weet ik zeker
Dit denk ik, maar weet ik niet zeker
Dit is nieuw voor mij
Hierdoor wordt duidelijk welke begrippen extra aandacht nodig hebben.
Voorbeeld 1: Tekst over de Romeinen
Zonder voorkennis:
Een leerling leest: “De legionairs moesten elke dag kilometers marcheren.”
Hij begrijpt: ze liepen veel. Maar verder niets.
Met voorkennis:
Een leerling weet: legionairs zijn Romeinse soldaten, ze droegen zware uitrusting, en hun veroveringstochten waren lang.
Nu begrijpt de leerling niet alleen dat ze liepen, maar ook waarom dat indrukwekkend was en hoe het paste in de Romeinse militaire strategie.
Voorbeeld 2: Tekst over orkanen
Zonder voorkennis:
Een leerling leest: “De categorie 5-storm maakte enorme schade.”
Hij begrijpt: de storm was groot.
Met voorkennis:
Een leerling weet: categorie 5 is de zwaarste schaal, met windsnelheden boven 250 kilometer per uur.
Hij begrijpt nu betekenis, ernst en context. De tekst wordt vele malen duidelijker.
Voorbeeld 3: Fictietekst met een onbekende setting
Tekstfragment:
“Lucas trok zijn capuchon verder over zijn gezicht toen hij de arena binnenstapte. Het publiek joelde, maar hij voelde vooral de zon op zijn rug branden.”
Leerling zonder voorkennis van sportwedstrijden of shows in arena's begrijpt mogelijk niet waarom er publiek is of wat de spanning veroorzaakt.
Met een klein beetje achtergrond (arena, wedstrijd, publiek, spanning, prestatie) komt de tekst tot leven.
Werkvorm 1: De drie-minuten-expeditie
Voorafgaand aan het lezen krijgt de klas een korte uitleg of een mini-verhaal over het onderwerp. Geen lange instructie, maar drie minuten context.
Werkvorm 2: Denkkaart
Leerlingen maken een mindmap rondom het onderwerp. Ze vullen deze na het lezen aan. Zo zien ze welke kennis is aangevuld of gecorrigeerd.
Werkvorm 3: Voor-weten-nadien
Wat dacht je te weten?
Wat wist je echt?
Wat weet je nu?
Dit maakt het leesproces inzichtelijk en versterkt metacognitie.
Werkvorm 4: Woordensprint
Kies vijf kernwoorden uit de tekst. Leerlingen raden wat de betekenis of rol van elk woord in de tekst zal zijn.
Na het lezen controleren ze wat klopte en waarom.
1. Voorkennis is onjuist
Kinderen komen soms met foute aannames. Dat geeft niet. Corrigeer pas nadat ze gelezen hebben:
“Wat dacht je eerst? Wat zie je nu in de tekst?”
2. Leerlingen zeggen: “Ik weet hier niets van.”
Gebruik gerichte vragen:
Heb je dit weleens gezien in een film?
Wat denk je dat het betekent?
Wat herken je in de titel of afbeelding?
Zo blijkt vaak dat ze wel iets weten, maar het niet meteen herkennen.
3. De stap naar het lezen wordt te lang
Houd het kort en doelgericht. Voorkennis activeren hoeft niet langer dan vijf minuten te duren.
Voorkennis is geen extraatje bij begrijpend lezen, maar de fundering waarop betekenis rust. In groep 6 is teksten lezen zonder relevante voorkennis alsof je een puzzel probeert te leggen zonder dat je het plaatje kent. Door vooraf kennis te activeren, ontbrekende informatie aan te vullen en leerlingen te laten voorspellen, ontstaat een rijker, dieper en betekenisvoller leesproces.
Wie leert om mee te denken met de tekst, begrijpt niet alleen beter wat er staat, maar ontwikkelt ook het vermogen om nieuwe informatie snel en effectief te verbinden met bestaande kennis. Dat is een vaardigheid die leerlingen hun hele schoolcarrière, en ver daarna, zal helpen.
Voorkennis trainen komt ook goed van pas op de lvs-toetsen van Leerling in Beeld, IEP, Boom en Dia.